Menu

Haar & Beauty begrippen

A - B - C - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

A

  • acné

    Ontsteking van de talgkliertjes.

  • adstringerend

    Samentrekkend (van de bloedvaten).

  • aërosol

    Een verpakking waarin bijvoorbeeld een haarlak onder gasdruk wordt bewaard en gespoten.

  • alanine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • albinisme

    Aandoening waarbij het pigment in de huid, ogen en het haar ontbreekt. Te splitsen in personen met totaal geen pigment (komt bij circa. 1 op de miljoen mensen voor) en personen met enigszins pigment dat zich uit in licht rossig haar.

  • alkaliën

    Stoffen met een basisch karakter (pH-zuurgraad tussen de 7 en 14) die de haarschubben openen zodat actieve stoffen beter in het haar kunnen trekken.

  • alkalisch

    Ander woord voor basisch (pH-zuurgraad) tussen de 7 en 14.

  • allergie

    Verhoogde gevoeligheid van de huid, ogen of luchtwegen voor een bepaalde stof, die tot ziekelijke reacties van het lichaam kan leiden.

  • alopecia

    Kaalheid.

  • alopecia androgenetica

    Mannelijke patroon van haaruitval, zowel bij mannen als bij vrouwen (Zie ook: klassieke mannelijke kaalheid).

  • alopecia areata

    Kale plekken ziekte, de kale plekken zijn meestal rond van vorm.

  • alopecia cicatricialis

    Kaalheid ten gevolge van een verlittekenend proces.

  • alopecia diffusa

    Verspreide vorm van haaruitval.

  • alpha helix (a-helix)

    Kaalheid ten gevolge van externe factoren.

  • alopecia traumatica

    Bepaalde draaiing van een peptideketen structuur.

  • ammonia

    Een base (Nh3OH) die zorgt dat het haar gaat zwellen en de haarschubben zich openen.

  • ammoniumthioglycolaat

    Een zout dat ontstaat door samenvoeging van thioglycolzuur en ammoniumbestanddelen.

  • ammoniumverbinding

    Verzamelnaam voor ammoniumzouten, bijvoorbeeld ammoniumbicarbonaat. Zie verder bij bufferstof.

  • anagene fase van het haar

    Groeiende fase van het haar.

  • androgeen

    Mannelijk (leidend tot mannelijke ontwikkelingsvormen).

  • aniline

    Basis voor kleurstoffen. Komt niet voor op een van de lijsten van het Cosmeticabesluit.

  • antistof

    Een eiwit, gericht tegen cellen of stoffen; Stof die de werking van andere stoffen opheft.

  • arginine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • Aspartic acid

    Ned.: Asparaginezuur. Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van het haar.

  • auto-immuun

    Tegen het eigen lichaam gericht.

B

  • bacterie

    Eéncellig micro-organisme; sommige zijn ziekteverwekkers, maar de meeste bacteriën zorgen voor een gezonde huidflora. Ook zijn bacteriën belangrijk voor het zelfreinigend vermogen van het milieu.

  • bandhaar

    Sterk ovaal haar.

  • basaalcellenlaag

    Medische term: ‘stratum basale’. Onderste, levende laag van de opperhuid, waarin nieuwe cellen worden gevormd (door celdeling).

  • basische vloeistof

    Vloeistof met een pH-waarde (zuurgraad) variërend vanaf 7 tot en met 14.

  • beschadigd haar

    Haar, dat niet meer de normale eigenschappen van haar bezit zoals glans, veerkracht, kleur of structuur. Dit kan worden veroorzaakt door zowel uitwendige factoren (voorbeelden: permanenten en verven) als inwendige factoren (voorbeeld: medicijnen). Zie ook: bubble haar, dof haar, futloos haar, poreus haar, slap haar.

  • bind- en steunweefsel

    Weefsel dat alle hoekjes en gaatjes van ons lichaam opvult en alle organen omhult. Steunweefsel geeft het lichaam of orgaan stevigheid en bescherming.

  • binnenste haarwortelschede

    Deel van de inwendige bekleding van de haarfollikel.

  • biopsie

    Het verwijderen van een stukje weefsel voor microscopisch onderzoek.

  • biopt

    Weefselstukje dat voor biopsie is verwijderd.

  • blondeerwassing

    Oxidatiemiddel om een natuur- of kunstkleur lichter te maken. Ook wel blonderen genoemd.

  • blonderen

    De natuurkleur of kunstmatige kleur uit het haar halen met behulp van een blondeerproduct.

  • blowen

    Het haar losjes droogföhnen met een blaasföhn en je handen zodat het haar de natuurlijke valling houdt.

  • bomberen

    Het maken van volume in het haar.

  • borstelbeslag

    Haren of “stekels” van de borstel.

  • borstellichaam

    Kop en steel/handvat van de borstel.

  • bouclé

    Omvorming van het haar waarbij je het haar rond de vinger draait en met een clip vastzet.

  • boucleren

    Omvormingstechniek. Met de vingers worden krullen gevormd die met een clip worden vastgezet.

  • brug (waterstof-)

    Verbinding tussen waterstof en zuurstof. In het haar onder andere een verbinding tussen peptidespiralen in de vezellaag van het haar.

  • brug (zout-)

    Zwakke electrostatische verbinding. In het haar onder andere een verbinding tussen peptidespiralen in de vezellaag van het haar.

  • brug (zwavel-)

    Chemische zwavelverbinding. In het haar onder andere een verbinding tussen de zwavelatomen van de peptidespiralen in de vezellaag.

  • bufferstof

    Stof die zorgt voor een gelijkmatig verloop van het chemische proces. Het zorgt er tevens voor dat een vloeistof qua zuurgraad (nagenoeg) stabiel blijft, zowel in de verpakking als tijdens de posetijd. Zoals ammoniumverbindingen.

  • buitenste haarwortelschede

    Deel van de haarfollikel in het inwendige deel van het haar.

  • bulge area

    Deel van de buitenste haarwortelschede ter hoogte van de talgklier in het inwendige haar aanwezig, deel van haarfollikel.

C

  • callus

    Eelt, een verdikking van de huid, ontstaan door druk of wrijving.

  • capillariteit

    Opzuigende eigenschap van onder andere het haar.

  • capwave

    Permanentsysteem, waarbij extra warmte wordt toegevoegd met een warmtapparaat.

  • CARA

    Afkorting van chronisch aspecifieke respiratoire aandoeningen. De verzamelnaam van ziekten van de luchtwegen, zoals astma en bronchitis.

  • cel

    Kleine elementaire bouwsteen van het menselijk lichaam.

  • celluloid

    Thermoplastische stof.

  • CE-merk

    Conformité Europeènne. Een markering die op een aantal producten is afgebeeld en die aangeeft dat het betreffende product in overeenstemming is met een Europese Richtlijn en daarmee met de Nationale Wetgeving (in Nederland: Warenwet). Het betreft minimale veiligheid- en gezondheideisen voor bijvoorbeeld electrische apparatuur. Zonder CE-markering mag een product niet verkocht worden.

  • CFK’s

    Chloorfluorkoolwaterstoffen. CFK’s kwamen vroeger voor in spuitbussen, schuimplastic en koelkasten, en kunnen de ozonlaag aantasten. Komen tegenwoordig niet meer in spuitbussen voor.

  • cholesteryl ester

    Onder andere een epidermale lipide.

  • cignoline

    Medicijn dat wordt gebruikt tegen alopecia areata.

  • cilindrische wikkel

    Wikkel die over de gehele lengte even dik is, waardoor een gelijkmatige krul ontstaat.

  • CI-nummer

    Staat voor Color Indexnummer. Dit nummer wordt onder andere toegekend aan (oxidatieve) kleurstoffen die zijn opgenomen in de positieve lijst van het Cosmeticabesluit.

  • citroenzuurcyclus

    Biochemische cyclus dat op cellulair niveau de energiehuishouding verzorgt.

  • climazon

    Warmtebron op basis van gloeispiraallampen. De climazon wordt gebruikt om de benodigde inwerktijd van chemische processen, zoals verven of permanenten tot circa de helft terug te brengen.

  • collagene vezel

    Vezel in de lederhuid, die stevigheid aan de huid geeft.

  • complementaire kleuren

    Bij het haar: Kleuren die samen het haar licht grijs tot bijna zwart doen kleuren.

  • confectie haarwerk

    Standaardcollectie haarwerk; in massa geproduceerd volgens vaststaande maten.

  • conditioners

    Conditieverbeteraars. Ingrediënten om de conditie van het haar te verbeteren, meestal verwerkt in verzorgende/conditionerende shampoos (zoals 2 in 1) en conditioners/cremespoelingen. Het haar wordt hiermee glanzender, handelbaarder, beter doorkambaar, soepeler en volumineuzer. Het kan tevens verdere beschadiging helpen te voorkomen.

  • congenitaal

    Aangeboren, door overerving verkregen.

  • conische wikkel

    Wikkel die in het midden dunner is dan aan de uiteinden, waardoor het haar aan de punten sterker krult dan de rest van het haar.

  • conserveermiddelen

    Middelen die aan (cosmetica-)producten worden toegevoegd om microbiologische kwaliteit, houdbaarheid en stabiliteit te waarborgen.

  • contra-indicatie

    Indicatie (bijvoorbeeld: een hoofdhuid- en/of haaraan-doening) waarbij je geen behandelingen mag toepassen.

  • corpusculum tactus

    Ned.: tastlichaampje. Eindorgaan van het tastzintuig, zijnde warmte-, koude-,druk of pijnpunt.

  • cortex pili

    Vezellaag. Dikste en sterkste laag van het haar, direct onder de schubbenlaag, die het haar sterkte en elasticiteit geeft.

  • corticosteroiden

    Verzamelnaam van synthetische en organische stoffen die de hormonen van de bijnierschors kunnen nabootsen. Oók: medicijn, dat gebruikt wordt tegen alopecia areata en alopecia cicatricialis.

  • coupeschaar

    Een schaar met een scherp en een getand blad. Daarin onderscheidt de coupeschaar zich van de effileerschaar, die aan beide zijden een getand blad heeft. Net als van de effileerschaar bestaan ook van de coupeschaar verschillende modellen met verschillende afstanden tussen de tanden. De techniek van het knippen verschilt van die van de effileerschaar (glijdend door het haar).

  • coup soleil

    Blonde strepen in het haar aanbrengen.

  • craniaal

    Aan de bovenzijde van de hoofdhuid.

  • cuticula pili

    Schubbenlaag. Buitenste, beschermende laag van het haar.

  • cyclomethiconen

    Polymeer gebaseerd op siliconen. Wordt veel gebruikt in conditioners en shampoos.

  • cyproteronacetaat

    Medicijn dat wordt gebruikt tegen hirsutisme en alopecia androgenetica.

  • Cysteïne

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • Cystine (L-)

    Twee door zwavelbruggen verbonden Cysteïnes. Menselijk haar bevat gemiddeld 5% Cystine.

D

  • dekweefsel

    Medische term: ‘Epitheel’. Weefsel dat alle oppervlakken van het menselijk lichaam bedekt. Ook wel epitheelweefsel genoemd.

  • dermis

    Deel van de huid, grenzend aan de opperhuid, bestaande uit een lederhuid, papillen- en een netlaag.

  • dermatoloog

    Arts, gespecialiseerd in huid (en haar) ziekten.

  • desinfectant

    Ontsmettingsmiddel dat door het College Toelating Bestrijdingsmiddelen is goedgekeurd.

  • detergent

    Reinigende of wasactieve ingrediënt, bijvoorbeeld in shampoos.

  • diabolische wikkel

    Wikkel die in het midden dunner is dan aan de uiteinden, waardoor het haar aan de punten sterker krult dan de rest van het haar.

  • diagnose stellen

    Vaststellen van een toestand of conditie van onder andere het haar en/of de hoofdhuid.

  • diffuus

    haar Haar met een lage haardichtheid (aantal haren per vierkante centimeter hoofdhuid).

  • dihydrotestosteron

    Mannelijk hormoon.

  • dimethiconen

    Polymeer gebaseerd op siliconen , wordt veel gebruikt in conditioners en shampoos.

  • diphenylcyclopropenon

    Therapie, die wordt gebruikt tegen alopecia areata. Ook wel eczeem-therapie of sensibilisatie therapie genoemd.

  • DNA

    Desoxyribosnucleïnezuur. Grondstof van de celkernen die alle erfelijke informatie bevat.

  • DNA-synthese

    De vorming van DNA (desoxyribose nucleïnezuur).

  • DMDM hydantoin

    Conserveermiddel, veel toegepast in shampoo’s en conditioners.

  • doorkambaarheid

    Kracht die noodzakelijk is om een bepaalde hoeveelheid haar door te kammen. Conditionerende producten kunnen de doorkambaarheid van het haar verhogen. De doorkambaarheid kan worden gemeten door een zogenaamde “Frictietest”.

  • doorschijnende laag

    Medische term: ‘stratum lucidum’. Laag in de opperhuid; dode laag tussen korrellaag en hoornlaag.

  • drijfgas

    Gas onder druk dat wordt gebruikt om de inhoud van een spuitbus te vernevelen.

  • droog haar

    Haar wat subjectief beoordeeld wordt als droger (zowel vochtgehalte als vetgehalte) dan normaal.

  • droogkap

    Warmteapparaat, waarbij het warmte-element bestaat uit spiralen die de lucht verwarmen. De warme lucht wordt als een flinke luchtstroom om het hoofd rondgewerveld of geblazen.

  • dubbel wikkeltechniek

    Wikkeltechniek, waarbij halverwege een passé een tweede wikkel wordt geplaatst. Vervolgens wordt de rest van de passé om de twee wikkels gedraaid.

  • duo wikkeltechniek

    Wikkeltechniek, waarbij twee wikkels afzonderlijk in een passé worden gedraaid.

E

  • eczeem

    Huiduitslag, gepaard gaande met jeuk, roodheid en overmatige schilfering.

  • EDTA

    Complexvormer dat zware metalen complexeert en oxidatie voorkomt om de houdbaarheid te verlengen. Wordt veel toegepast in shampoos en conditioners.

  • eelt

    Medische term: ‘callus’. Verdikking van de huid, ontstaan door druk of wrijving.

  • effileerschaar

    Een schaar met aan beide zijden een getand blad. De tanden kunnen op verschillende afstanden van elkaar staan. Te onderscheiden zijn bijvoorbeeld: Heel grof: Bij de effiieerschaar "8" is de ruimte tussen de tanden 3 mm (1/8"). Grof:Bij de effileerschaar "16" is de ruimte tussen de tanden 1,5 mm (1/16"). Fijn: Bij de effileerschaar "32" is de ruimte tussen de tanden 0,7 mm (1/32"). Hoe dichter de tanden op elkaar staan, hoe meer haar per knip van de schaar wordt geknipt. Zie ook: coupeschaar.

  • effileren

    Letterlijk: uitdunnen. Kortere haren in de massa knippen, om binnen de vorm uitzetting, beweeglijkheid of textuur te krijgen of om de massa te verminderen.

  • effluvium

    Tijdelijke, diffuse vorm van haaruitval (lagere haardichtheid).

  • eiwitten

    Bouwstoffen van het lichaam, zelf weer opgebouwd uit aminozuren. De hoeveelheid en de combinatie van de aminozuren bepalen de specifieke eigenschappen van het eiwit.

  • elastine vezels

    Vezels in de lederhuid, die de huid veerkracht geven. De vezels lopen door de mazen van de collagene vezels.

  • emulgator

    Emulgerend middel, dat er voor zorgt dat hydrofobe (waterafstotende) en hydrofiele (waterminnende) stoffen zich met elkaar vermengen tot een egale emulsie.

  • emulgeren

    Een emulsie maken van of met verschillende stoffen.

  • emulsie

    Vloeistof waarin een niet-mengbare stof of stoffen in uiterst fijne druppeltjes verdeeld blijven zweven.

  • endogeen

    Intern. Van binnenuit.

  • enzym

    Een actief eiwit dat niet-werkzame stoffen in werkzame stoffen kan omzetten en vice versa.

  • epidermale lipiden

    Olies (vetten) van de opperhuid.

  • epidermis

    Opperhuid. Buitenste laag van de huid; die is opgebouwd uit epitheel dekweefsel.

  • epitheelweefsel

    Dekweefsel. Weefsel dat alle oppervlakken van ons lichaam bedekt.

  • erytheem

    Roodheid van de huid.

  • eumelanine

    Natuurlijke pigmentstof welke blond, lichtbruin of donkerbruin kleurt.

  • exogeen

    Extern. Van buitenaf.

F

  • fibril

    Werkzaam bestanddeel dat kan worden gebruikt tegen alopecia androgenetica en dat in bepaalde landen wordt voorgeschreven. In Nederland is finasteride nog niet geregistreerd.

  • finasteride

    Andere naam voor vezel.

  • fixeren

    Letterlijk: vastzetten of vastmaken. Het vastzetten van een krul in de vorm waarin het haar is gewikkeld. “Vastleggen” van bijvoorbeeld een föhnkapsel. Fixeren vindt onder andere plaats met behulp van haarlak of haarspray.

  • föhnversteviger

    Versteviger die een hittebestendig laagje om het haar legt.

  • folliculus pili

    Haarzakje. Zakje dat om de haarwortel en talgkliertjes zit en dat vanuit de opperhuid de lederhuid instuipt.

  • frictietest

    Meetmethode ter bepaling van de doorkambaarheid.

G

  • genetische eigenschap

    Erfelijke eigenschap.

  • getrokken wikkeltechniek

    Wikkeltechniek, waarbij de passé in een hoek van bijvoorbeeld 45 of 60 graden om de wikkel wordt gedraaid.

  • geurstof

    Stof die wordt toegevoegd aan producten om een aangename geur te geven of om de onaangename geur van bijvoorbeeld een permanentvloeistof te camoufleren.

  • gevoeligheidsproef

    Proef waarmee je kunt controleren of er op de huid een allergische reactie optreedt. Bijvoorbeeld verf en waterstofperoxide (H202).

  • gist

    Een ééncellig organisme dat behoort tot de groep van de schimmels.

  • glandulae sudoriferae

    Zweetkliertje. Kliertjes in de lederhuid, die zweet produceren

  • Glutamic acid

    Ned.: Glutamine zuur. Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • Glycine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • gradatie op massieve lijn

    Kapsel waarbij de massieve lijn wordt gegradeerd; het wordt minder massief gemaakt

  • gradatiesterkten

    De mate waarin het haar wordt gegradeerd

  • gradenstelsel

    Toegepast in het kappersvak geeft het gradenstelsel aan onder welke hoek uit de huid het haar wordt afgeknipt.

  • graderen

    Het haar afknippen terwiji het onder een bepaalde hoek wordt opgetild. Het aantal graden kan variëren.

  • groeien

    Proces waarbij cellen zich vernieuwen en vermeerderen.

  • groeifase van het haar

    Medisch term: ‘anagene fase’. Periode waarin het haar groeit.

  • groeirichting

    Wijze waarop het haar in de hoofdhuid zit. Zie ook: haarinplant

H

  • haarbeschermende stof

    Stof die op het haar wordt opgebracht met als doel het voorkomen dat het haar wordt aangetast door chemicaliën of stoffen die de huid gaan irriteren.

  • haarbol

    Verdikking onderaan de haarwortel. Ook wel haarknop genoemd.

  • haarcontour

    Verloop van de haargrens.

  • haarcyclus

    Steeds terugkerend patroon van groeifase, overgangsfase en rustfase van het haar.

  • haardichtheid

    Aantal haren per vierkante centimeter. Op de totale hoofdhuid zijn tussen de 100 en 150.000 haarzakjes aanwezig. Afhankelijk van de schedelgrootte en de activiteit van de haarzakjes leidt dit tot ±1000 haren per vierkante centimeter bij babies, ongeveer 600 haren per vierkante centimeter bij 25 jarigen en 250 - 300 haren per vierkante centimeter bij 50 jarigen.

  • haarfollikel

    Medische term: ‘folliculus pili’. Andere naam voor haarzakje.

  • haargel

    Haarproduct om het haar tijdelijk te fixeren en te styleren.

  • haargrens

    Daar waar de haargroei ophoudt (contour).

  • haarinplant

    Wijze waarop het haar in de hoofdhuid zit (groeirichting) en de hoeveelheid haar op de hoofdhuid (haardichtheid).

  • haarkleurcollectiekaart

    Kaart met een verzameling haarkleuren ingedeeld naar kleurhoogte en kleurkarakter.

  • haarknop

    Verdikking onderaan de haarwortel. Ander woord voor haarbol.

  • haarmicrometer

    Apparaatje, waarmee je de dikte en vorm van het haar bij benadering kan vaststellen, mits door een deskundige uitgevoerd. De dikte is afhankelijk van het vochtgehalte.Naarmate dezelfde haar vochtiger is, is het haar dikker.

  • haarmousse

    Product om het haar tijdelijk in model te brengen of te houden.

  • haarpapil

    Medische term: ‘papillae pili’. Uitholling onderaan het haarzakje, waarin twee haarvaatjes uitkomen.

  • haarpijn

    Pijnlijke sensatie op de hoofdhuid, daar waar het haar niet kan terugvallen in de natuurlijke valling. De pijn wordt veroorzaakt door een verkramping van het haarspiertje.

  • haarprothese

    Stukjes haar die kale gedeelten op het hoofd bedekken en vloeiend in het eigen haar overlopen.

  • haarschacht

    Deel van het haar dat uit de huid steekt (zichtbare deel).

  • haarspiertje

    Medische term: ‘musculus arrector pili’. Spiertje in de lederhuid dat kan samentrekken, waardoor het haar overeind gaat staan (kippenvel).

  • haarspray

    Haarproduct om het haar tijdelijk te fixeren en te styleren.

  • haarstructuur

    Wordt bepaald door de chemische samenstelling van de elementen (zuivere stoffen), hun onderlinge verhouding en de opbouw. Fysische structuur = opbouw

  • haartransplantatie

    Techniek waarbij de voor het mannelijk hormoon dihydrotestosteron ongevoelige haarzakjes in de huid worden verplaatst van de achterzijde (en zijkant) van het hoofd (hoefijzervormige krans) naar de bovenzijde van het hoofd. Omdat deze haarzakjes ongevoelig blijven voor dihydrotestosteron zal op de bovenzijde van het hoofd weer blijvende haargroei optreden.

  • haartype

    Haarsoort.

  • haarvaatje

    Medische term: ‘vas capillare’. Verste uitloper van het bloedvatenstelsel.

  • haarverf

    Een kleurproduct met onontwikkelde kleurstoffen met een dekkracht van 80-100 %. Zie ook: verven.

  • haarvolume

    Dikte of schijnbaar volume van een kapsel; subjectief beoordeelbaar met visuele observatie en “aanvoelen”. De stevigheid van het kapsel is hierbij ook van belang.

  • haarvorm

    Vorm van het haar: rond, ovaal, plat/band.

  • haarwerk

    Extra haar dat op het hoofd kan worden aangemeten en geplaatst.

  • haarwortelonderzoek

    Gestandariseerd onderzoek waarbij na vier dagen het haar niet te onderzoek hebben gewassen, op één plek 50 haren worden geplukt. Vervolgens wordt de verhouding tussen anagene (groeiende) en telogene (uitvallende) haren bepaald.

  • haarzakje

    Zakje dat om de haarwortel en talgkliertjes zit en dat vanuit de opperhuid de lederhuid instuipt. Ook wel haarfollikel genoemd.

  • Hamilton/Norwood- classificatie

    Gradatieschaal voor klassieke mannelijke kaalheid (alopecia androgenetica).

  • hekelen

    Haar in duimdikke bosjes verdelen en bundelen.

  • hidros

    Zweet. Kleurloze vloeistof, bestaande uit water, met daarin opgeloste afbraakproducten van de stofwisseling van de huid.

  • hirsutisme

    Overmatige beharing op ledematen en baardstreek.

  • Histidine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • hoornlaag

    Medische term: ‘stratum corneum’. Bovenste laag van de opperhuid (dode laag).

  • hoornstof

    Andere naam voor keratine. Verhoornd celmateriaal (eiwit) en de grondstof van het haar.

  • hormoon

    Bioactieve stof die chemische processen in het lichaam reguleert.

  • hormoonhuishouding

    Het geheel van aanmaak, afbraak en evenwicht van hormonen.

  • huidflora

    Micro-organismen aan het huidoppervlak.

  • hydrofiel

    Wateraantrekkend.

  • hydrofoob

    Waterwerend.

  • hygroscopisch

    Vocht opnemend.

  • hyperthyreoidie

    Overmatige werking van de schildklier.

  • hypertrichose

    Overmatige beharing over het gehele lichaam.

  • hypothyreoidie

    Onvoldoende werking van de schildklier.

I

  • iatrogeen

    Door een geneeskundige behandeling teweeggebracht.

  • implanteren

    Inplanten (van haarfollikels bij transplantaties).

  • I.N.C.I.

    Afkorting voor: International Nomenclature Cosmetic Ingredients. Standaardisatie van de benamingen die wordt gebruikt in de cosmetische industrie.

  • indicatie

    Situatie, waarin de toestand van het haar- of de hoofdhuidaandoening behandeld mag worden.

  • infrarood lamp

    Lamp die warmte-straling (infra rood licht) afgeeft.

  • inside-vlecht

    Vlecht ‘in het haar’, doordat bij het invlechten de haarstrengen over de vlecht worden gepakt.

  • invlechten

    Techniek waarbij je met twee of drie haarstrengen plus stroken haar die je vanaf de haarlijn meeneemt, een vlecht maakt. Ook wel inside- of outside-vlecht genoemd.

  • Isoleucine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

J

Geen begrippen gevonden.

K

  • kale plekken ziekte

    Medische term: ‘alopecia areata’.

  • katagene fase van het haar

    Overgangsfase van het haar. Van groeifase naar de rustfase duurt 3 tot 4 weken.

  • kapmantel

    Mantel om kleding te beschermen tegen afgeknipt haar of haarcosmetica.

  • keratine

    Verhoornd celmateriaal (eiwit); de grondstof van het haar. Ook wel hoornstof genoemd.

  • klemmenpermanent

    Permanentsysteem, waarbij extra warmte wordt toegevoegd door het plaatsen van elektrisch voorverwarmde klemmen op de wikkels.

  • kleurhoogte

    Relatieve kleurtoon van het haar. Zwart is gedefinieerd als 1; hoogblond als 10. Wordt gebruikt als uitgangspunt bij kleuringen.

  • kneden

    Droogtechniek. Het haar wordt in de hand genomen en steeds een beetje opgetild. Met de föhn blaas je onder tegen je hand aan.

  • knipkam

    Kam met een grove en een fijn getande kant.

  • knipkraag

    Kraag om te voorkomen dat de haren tussen de kapmantel en de kleding of tussen de kleding en de huid van de klant kunnen komen.

  • korrellaag

    Medische term: ‘stratum granulosum’. Levende laag tussen de stekellaag en de doorschijnende laag van de opperhuid.

  • koude gloed

    In een koude gloed overheersen de kleuren blauw, groen en violet.

  • kruin

    Medische term: ‘vertex cranii’. Plaats waar het haar vanuit één punt in verschillende richtingen groeit (weerborstels).

  • kruinlijn

    Grensvlak tussen kruin en de plaats waar de haren in één richting groeien.

  • krulsterkte

    In kappersjargon: de grootte van de doorsnede van een krul, zowel bij een natuurlijke krul als bij een kunstmatig aangebrachte krul.

  • kunstmatig haar

    Haar dat is gemaakt van een synthetische vezel.

  • kuurbehandeling

    Behandeling die een aantal keren herhaald moet worden om het gewenste effect te bereiken.

L

  • lanugohaar

    Lang, dun zijde-achtig haar zonder pigment, dat gewoonlijk in de baarmoeder wordt afgestoten, maar soms nog op de huid van de pasgeborene aanwezig is. Deze eerste haren van de mens ontstaan tijdens de derde maand. Ook wel wolhaar genoemd.

  • LAREB

    Stichting Landelijke Registratie Evaluatie Bijwerkingen; registreert meldingen van artsen over bijwerkingen van geneesmiddelen.

  • lederhuid

    Medische term: ‘dermis’. Deel van de huid, grenzend aan de opperhuid, bestaande uit een papillen- en een netlaag.

  • legering

    Mengsel van diverse metalen, zoals roestvrijstaal, brons.

  • Leucine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • lipases

    Vetafbrekende enzymen.

  • Ludwig-classificatie

    Gradatieschaal voor alopecia androgenetica bij vrouwen.

  • lyogels

    Gel met een relatief lage viscositeit bestaande uit een mengsel van een vaste stof en een vloeibare stof.

  • Lysine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

M

  • maatwerk

    Onder andere een haarwerk dat voor een bepaalde persoon op kleur, maat of diepte wordt gemaakt.

  • matterende kleur

    Kleur met een afzwakkende werking op een complementaire kleur. Bevat groen of blauw en ‘neutraliseerd’ rood, oranje of geel.

  • medulla

    Merg. Binnenste, sponsachtige deel van het haar.

  • melanine

    Gekleurde eiwitkorrels (in de basaalcellenlaag van de opperhuid), die de huid beschermen tegen ultraviolette stralen. Melanine bevindt zich ook in de vezellaag van het haar; het geeft het haar zijn natuurlijke haarkleur.

  • melanocyten

    Cellen bestaande uit kleurloze eiwitkorrels (melanogeen) die verkleuren onder invloed van ultraviolette stralen en zuurstof.

  • mêleren

    Haar van verschillende kleuren met elkaar mengen om kleine kleurverschillen te overbruggen.

  • mengkleur

    Een kleur die je aan een kleurproduct toevoegt om het kleurkarakter te versterken of af te zwakken.

  • merg

    Medische term: ‘medulla’. Binnenste, sponsachtige deel van het haar.

  • Methionine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • microgolven

    Onder andere kleine ribbeltjes op de snede van de schaar, die ervoor zorgen dat het haar niet tussen de bladen van de schaar wegglijdt.

  • microgram

    1 duizendste milligram.

  • micro-organismen

    Kiemen, voor het oog onzichtbare, levende organismen, zoals bacteriën, schimmels en virussen.

  • minoxidil

    Medicijn dat wordt gebruikt tegen alopecia androgenetica en alopecia areata.

  • musculus arrector pili

    Haarspiertje. Spiertje in de lederhuid dat kan samentrekken, waardoor het haar overeind gaat staan (kippenvel).

N

  • natrium benzoaat

    Conserveermiddel, veel toegepast in shampoos en conditioners.

  • natrium laurylsulfaat

    Reinigingsmiddel (surfactant) dat veel wordt toegepast in shampoos.

  • natrium laurethsulfaat

    Reinigingsmiddel (surfactant) dat veel wordt toegepast in shampoos.

  • natuurkleur

    De haarkleur die erfelijk is vastgelegd, maar sterk kan variëren per leeftijdscatagorie.

  • natuurlijke valling

    Richting waarin het haar van nature valt.

  • natuurlijk haar

    Haar dat afkomstig is van een dier of mens.

  • negatieve lijst

    Lijst van stoffen die overeenkomstig de Warenwet (cosmetica besluit) niet mogen worden toegepast in cosmetische producten.

  • negenvakkenwikkeling

    Wikkelpatroon, waarbij het haar in negen vakken wordt afgedeeld en gewikkeld (middenbaan en naar beneden gewikkelde zijpanelen).

  • nervus

    Zenuw(weefsel). Weefsel dat er voor zorgt dat we kunnen ruiken, voelen, zien, horen en proeven.

  • netlaag

    Medische term: ‘reticulum’. Onderste laag van de lederhuid, grenzend aan het onderhuids bindweefsel.

  • neutrale vloeistof

    Vloeistof met een pH-waarde (zuurgraad) van 7.

  • neutraliseren

    Onder andere opheffen van de werking van ammonia in de permanentvloeistof of andere producten.

  • nikkel

    Nikkel (Ni+) komt in veel zilverkleurige metalen voor. Nikkel voorkomt roest en geeft een fraaie zilverglans. De stof nikkel kan ook in producten verwerkt zijn. Nikkel kan bij mensen een allergie veroorzaken.

O

  • oblongwikkeling

    Wikkelpatroon, waarbij de wikkels afwisselend rechts- en links­om in banen worden geplaatst (slagvorm).

  • oestradiol

    Vrouwelijk hormoon.

  • oestrogeen

    Vrouwelijk hormoon.

  • omvorming

    Verandering van de structuur van het haar, waarbij het haar de vorm van de wikkel aanneemt.

  • onderhuids

    bindweefsel Weefsel dat zorgt voor de verbinding tussen de huid en de daaronder liggende spieren en beenderen.

  • onontwikkeld

    Kleurproduct met kleurdeeltjes waarbij de uiteindelijke kleur wordt bepaald na toevoeging van een tweede preparaat.

  • ontwarren

    Klitten uit het haar halen.

  • ontwikkeld

    Kleurproduct met ontwikkelde kleurstoffen. De kleur van de vloeistof kleurproduct geeft aan welke kleur je aanbrengt.

  • opbrengtechniek

    Techniek van het opbrengen van haarcosmetische producten.

  • oplosmiddel

    Medium waarin een stof kan worden opgelost.

  • opperhuid

    Medische term: ‘epidermis’. Buitenste laag van de huid; het is opgebouwd uit epitheel-/dekweefsel.

  • outside-vlecht

    Vlecht “bovenop” het haar, doordat de haarstrengen bij het invlechten onder de vlecht door worden gepakt.

  • overgangsfase van het haar

    Medische term: ‘katagene fase’. Periode van ongeveer vier weken waarin het contact tussen de haarpapil en de haarwortel wordt verbroken.

  • oxidatie

    Chemische reactie met zuurstof.

P

  • papillae corrii

    Papillenlaag. Bovenste laag van de lederhuid, grenzend aan de basaalcellenlaag van de opperhuid.

  • pantotheenzuur

    Scheikundige naam voor Vitamine B5.

  • papillae pili

    Haarpapil. Uitholling onderaan het haarzakje, waarin twee haarvaatjes uitkomen.

  • papillenlaag

    Medische term: ‘papillae corrii’. Bovenste laag van de lederhuid, grenzend aan de basaalcellenlaag van de opperhuid.

  • parabenen

    Groep van conserveermiddelen die veel gebruikt worden in shampoos en conditioners.

  • parelziekte

    Medische term: ’trichorrhexis nodosa’. Aandoening waarbij op het haar één of meer verdikkingen zichtbaar zijn. Deze verdikkingen zijn beschadigingen van de buitenste haarwortelschede en hiermee onderscheidbaar van ‘bubble haar’ dat door beschadigingen van binnenuit verdikkingen vertoont. Bij parelziekte kan men als behandeling het haar een beschermende laag geven met een vet, conditioner, etc.

  • partiële lijst

    Lijst van stoffen die overeenkomstig de Warenwet (cosmetica besluit) slechts onder bepaalde voorwaarden (bijvoorbeeld tot een maximale concentratie) mogen worden toegepast in cosmetische producten.

  • passé

    Het opnemen van een strook haar om het een kappersbehandeling te laten ondergaan.

  • patenttrekken

    Manier om haarpunten van het borstelbeslag ongelijk te maken.

  • peptide

    Eiwit.

  • peptidespiraal

    Een gedraaide eiwitketen dat zich onder andere in het haar bevindt. Peptideketens kunnen onderling met elkaar zijn verbonden door middel van zwavel-, waterstof- en zoutbruggen.

  • permanenten

    Behandeling waarbij de haarstructuur van stijl naar krullend haar wordt veranderd.

  • permanentvloeistof

    Vloeistof die de haarstructuur permanent doet veranderen.

  • permanentcosmetica

    Middelen (producten) die je nodig hebt voor een permanentbehandeling.

  • pheomelanine

    Natuurlijke pigmentstof dat het haar geelblond tot rood kleurt.

  • Phenylalanine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • pH-indicatiepapier

    Papieren strookje (een aanwijzer) waarmee je de pH-waarde van een vloeistof bij benadering kunt vaststellen.

  • pH-schaal

    Rangschikking van zuren en basen naar sterkte.

  • pH-waarde

    Ander woord voor zuurgraad. pH staat voor: pondus Hydrogenium.

  • pigment

    Stof die het haar zijn natuurlijke kleur geeft. Zie ook: melanine.

  • pityriasis capitis

    Roos. Overmatige afschilfering van de hoornlaag op de hoofdhuid, zichtbaar als witte vlokken in het haar.

  • pityrosporum ovale

    (P. Ovale) Micro-organisme die in verhoogde mate aanwezig is op de hoofdhuid met roos en zelfs als de oorzaak geacht wordt.

  • pluktest

    Test waarbij een plukje haar tussen wijsvinger en duim wordt genomen en met redelijke kracht van de hoofdhuid wordt getrokken. Wanneer er meer dan 20 haren kunnen worden uitgetrokken wordt er gesproken van een positieve pluktest.

  • polijsten

    Onder andere: Het zacht glad borstelen van het haar door de schubben te sluiten.

  • posetijd

    Inwerkingstijd.

  • polyvinylpyrrolidone

    (PVP) Polymeer met onder andere fixerende eigenschappen, veel toegepast in gels, mousses en sprays.

  • positieve lijst

    Lijst van stoffen die overeenkomstig de Warenwet (cosmetica besluit) slechts voor een specifiek doel mogen worden toegepast in cosmetische producten.

  • posticheur

    Specialist die haarwerken maakt.

  • preparatieve

    Alle preparaten of producten die je voor een kappersbehandeling nodig hebt.

  • primaire kleuren

    Rood, geel en blauw.

  • primair haar

    Afgeknipt haar dat niet ontward of op kop en punt gesorteerd hoeft te worden.

  • Proline

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • prostageen

    Vrouwelijk hormoon.

  • protozoön

    Ééncellige, dierlijke micro-organismen.

  • pruik

    Haarwerk dat over het hele hoofd geplaatst wordt bij kaalheid of als iemand tijdelijk een ander kapsel wil.

  • psoriasis

    Aandoening van de huid, waarbij de huid verdikt is. Gaat vaak gepaard met overmatige afschilfering en roodheid.

  • puntpapier

    Ander woord voor wikkelvloeitje.

  • PUVA-therapie

    Therapie, gebruikt tegen alopecia areata. Ook wel lichttherapie genoemd.

  • pyridithione

    Ingrediënt van anti-roos shampoos dat de overmatige schilfering tegen kan gaan.

Q

  • quaternaire ammoniumverbindingen

    Organisch-chemische verbindingen met een positief geladen stikstofatoom, onder andere toegepast in shampoos.

R

  • recticulum

    Netlaag. Onderste laag van de lederhuid, grenzend aan het onderhuids bindweefsel.

  • reduceren

    Type chemische reactie, tegenovergestelde van oxideren. Bij haar onder andere het afbreken en verwijderen van kunstmatig aangebrachte kleurstoffen, maar ook het reduceren van disulfidebindingen bij permanenten.

  • 5-alpha-reductase (5-a-reductase)

    Enzym dat testosteron omzet in dihydrotestosteron.

  • regeneratie

    Groei of herstel van weefsels.

  • reinse barrière

    Vliesje (membraan) dat het natuurlijk vochtniveau van de huid regelt. Het bevindt zich tussen de korrellaag en de doorschijnende laag in de opperhuid.

  • relaxen

    Behandeling waarbij de haarstructuur van krullend naar stijl wordt veranderd. Ook wel ‘straighten’ genoemd.

  • ringworm

    Een constitutioneel eczeem (voorkomend in de kinderjaren) dat een grotere kans geeft op het voorkomen van seborrhoea in een latere levensfase.

  • rollerball

    Verrijdbaar warmteapparaat, waarbij het warmte-element bestaat uit een aaneengesloten ring met quartzbuizen die infrarood licht stralen.

  • roos

    Medische term: ‘pityriasis capitis’. Overmatige afschilfering van de hoornlaag op de hoofdhuid, zichtbaar als witte vlokken in het haar.

  • rug

    Het botte deel van het snijblad van de schaar.

  • rustfase van het haar

    Medische term: ‘telogene fase’. Periode waarin het haar al afgestorven haar is, maar zich nog in het haarwortelzakje bevindt.

  • RVG-nummer

    Nummer van geregistreerde middelen met bewezen werkzaamheid en veiligheid.

S

  • samentrekken

    Onder andere: haarschubben die zich sluiten.

  • scalp

    Het deel van de kruinlijn op de bovenzijde van het hoofd.

  • scalpreductie

    Techniek waarbij kale huid wordt weggesneden om het kale oppervlak te verkleinen.

  • scalpwikkeling

    Wikkelpatroon (steensgewijs of in zes vakken), waarbij alleen de scalp wordt gewikkeld.

  • schildklier

    Medische term: ‘glandula thyroidea’. Orgaan aan weerszijde van het strottehoofd, dat schildklierhormoon produceert.

  • schimmel

    Een- of meercellig micro-organisme.

  • schimmelinfectie

    Medische term: ‘tinea’. Infectie veroorzaakt door één- of meercellig micro-organisme.

  • schubbenlaag

    Medische term: ‘cuticula pili’. Buitenste, beschermende laag van het haar.

  • scrunchen

    Droogtechniek. Met de hand een draaiende, samentrekkende beweging maken met een partij haar (kneden). Met de fohn blaas je daar volume in.

  • seborrhoea

    Overmatige sebumproductie.

  • sebum

    Talg. Vetachtige stof, die huid en haar soepel houdt.

  • sebumexcretie

    Hoeveelheid uitgescheiden sebum op een huidoppervlak (na totale ontvetting) gedurende een bepaalde periode [microgram per cm2 per minuut].

  • sebumgehalte

    Hoeveelheid sebum op een onbehandeld stuk huid [microgram per cm2].

  • sebumproductie

    Hoeveelheid door de talgklier uitgescheiden maagdelijk sebum.

  • secundaire kleuren

    Oranje, groen en violet.

  • secundair haar

    Uitgevallen haar dat is opgespaard en dat nog ontward en op kop en punt gesorteerd moet worden.

  • selenium disulfide

    Ingrediënt van anti-roos shampoos dat de overmatige schilfering tegen kan gaan.

  • Serine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • shaper

    Kunststofstaven met een ronde of een vier-, zes- of achthoekige vorm, waardoor het haar een soepele beweging (textuur) krijgt.

  • shampoo

    Vloeistof om het haar te reinigen en te verzorgen, bestaande uit een combinatie van verschillende ingrediënten, elk met een andere functie.

  • siliconen

    Ingrediënt van onder andere conditioners dat is opgebouwd uit silicium en zuurstof. Dit kan de doorkambaarheid, glans en handelbaarheid van het haar verhogen en kan verdere beschadiging van het haar voorkomen.

  • snede

    Het scherpe deel van het snijblad van de schaar.

  • snelfixatie

    Snelwerkende stabilisatievloeistof.

  • snijbladen

    Delen van de schaar met een snede.

  • soft-styler/diffuser

    Mondstuk voor de blaasföhn met een grote blaaskop. Het haar droogt met deze blaaskop langzamer en geeft spreiding aan de luchtstroom.

  • spiegel van een haarborstel

    Vorm van het ingeplante deel van een haarborstel.

  • spiraalwikkel

    Lange kunststofwikkels, waarmee je een spiraalvormige krul kunt maken.

  • spiraalwikkeltechniek

    Wikkeltechiek, waarbij een om zijn as gedraaide passé op een (voorgevormde) spiraalwikkel wordt gewikkeld.

  • split-end

    Gespleten haarpunt.

  • squaleen

    Onder andere een epidermale lipide.

  • stabiliseren

    Fixeren en neutraliseren.

  • steensgewijze wikkel

    Wikkelpatroon dat lijkt op een gemetseld muurtje.

  • stekellaag

    Medische term: ‘stratum spinosum’. Levende laag tussen de basaalcellenlaag en de korrellaag van opperhuid.

  • straighten

    Behandeling waarbij de haarstructuur van krullend naar stijl wordt veranderd. Ook wel relaxen genoemd.

  • stratum basale

    Onderste, levende laag van de opperhuid, waarin nieuwe cellen worden gevormd (door celdeling).

  • stratum corneum

    Hoornlaag. Bovenste laag van de opperhuid (dode laag).

  • stratum granulosum

    Korrellaag. Levende laag tussen de stekellaag en de doorschijnende laag van de opperhuid.

  • stratum lucidum

    Doorschijnende laag. Laag in de opperhuid; dode laag tussen korrellaag en hoornlaag.

  • stratum spinosum

    Stekellaag. Levende laag tussen de basaalcellenlaag en de korrellaag van opperhuid.

  • stress

    Een belastende invloed, zowel lichamelijk (operatie, ziekte) als psychisch (werk), op het organisme, die een lichamelijke of psychische reactie oproept, in de zin van aanpassing.

  • surfactant

    Reinigingsmiddel, het belangrijkste ingrediënt van een shampoo.

  • synthese

    Het opbouwen of samenstellen, meestal kunstmatig, van een scheikundige verbinding.

  • synthetisch haar

    Zie bij kunstmatig haar.

T

  • talg

    Medische term: ‘sebum’. Vetachtige stof, die huid en haar soepel houdt.

  • talgsecretie

    Uitscheiding van talg over de huid of het haar.

  • tampel

    Ronding boven de bakkebaard.

  • tastlichaampje

    Medische term: ‘corpusculum tactus’. Eindorgaan van het tastzintuig, zijnde warmte-, koude-, druk- of pijnpunt.

  • telogene fase van het haar

    Rustfase van het haar.

  • temporaal

    Aan de kant van de slapen.

  • tenside Surfactant.

    Reinigingsmiddel, het belangrijkste ingrediënt van een shampoo.

  • terminaal haar

    Volledig ontwikkeld haar: grof, bevat pigment en kan verschillend van lengte zijn, afhankelijk van het soort haar.

  • terugpigmenteren

    Oranje/rode kleurspoeling zonder waterstofperoxide (H202) (extra kleurpigmenten) in de haarpunten aanbrengen om een egaal eindresultaat te krijgen.

  • testosteron

    Mannelijk hormoon.

  • textuur

    Uiterlijk van het haar binnen het kapsel (de beweging).

  • tinea

    Schimmelinfectie. Infectie veroorzaakt door één- of meercellig micro-organisme.

  • thioglycolzuur

    Chemische stof die de zwavelbruggen in het haar verbreekt.

  • thiotestpapier

    Papieren strookje, dat verkleurt als het in aanraking komt met thioglycolzuur. Hiermee is vast te stellen of nog thioglycolzuur in het haar aanwezig is.

  • Threonine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • tondeuse

    Elektrisch apparaat met verschillende opzetstukken of verstelbare kam, dat gebruikt wordt om het haar korter te maken.

  • touperen

    Tegenkammen van het haar om volume en stevigheid in het haar te brengen.

  • trenzen

    Bevestigen van een goedkoper haarwerk dat machinaal vervaardigd is.

  • trichosiderine

    IJzerhoudende natuurlijke pigmentstof dat het haar rood kleurt.

  • trichotillomanie

    Het dwangmatig uittrekken van het eigen haar.

  • triglyceride

    Onder andere een epidermale lipide.

  • Tryptophan

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • Tyrosine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

U

  • UV- filters

    Stoffen die beschadiging van het haar onder invloed van UV licht kunnen verminderen. Worden soms toegepast in een aantal haarverzorgingsproducten en fixatie-sprays.

  • uitgroei

    Haargedeelte bij de hoofdhuid dat sinds de laatste haarkleuring is gegroeid.

V

  • Valine

    Eén van de 18 aminozuren die nodig zijn voor de opbouw van haar.

  • vas

    capillare Haarvaatje. Verste uitloper van het bloedvatenstelsel.

  • vellushaar

    Babyhaar; dun, mergloos en meestal ook pigmentloos haar in een ontwikkelingstadium tussen lanugo en dat uit kan groeien naar terminaal haar.

  • veredelen

    De diameter van het haar dunner maken om het te kunnen verwerken.

  • verfspoeling

    Een kleurproduct met onontwikkelde kleurstoffen met een dekkracht van ongeveer 40%. Zie ook: kleurspoeling.

  • verhoorningsproces

    Medische term: ‘keratinisatie’. Proces waarbij de cellen in de huid langzaam uitdrogen en afsterven (verhoornen).

  • vertex cranii

    Kruin. Plaats waar het haar vanuit één punt in verschillende richtingen groeit (weerborstels).

  • verven

    Onder andere een behandeling van het haar met een product met onontwikkelde kleurstoffen met een dekkracht van 80-100 %.

  • vet haar

    Een subjectieve beoordeling van het haar, waarbij mensen het haar vetter vinden dan “normaal”. Dit wil niet altijd zeggen dat het haar ook objectief vetter is.

  • vezellaag

    Medische term: ‘cortex pili’. Dikste en sterkste laag van het haar, direct onder de schubbenlaag, die het haar sterkte en elasticiteit geeft.

  • virus

    Zeer kleine, ziekteverwekkende micro-organisme.

  • vitiligo

    Aandoening van de huid, waarbij op de huid witte vlekken ontstaan (pigmentaandoening).

  • vlechten

    Techniek waarbij je met twee, drie of vier gelijke strengen die je over elkaar heen brengt een vlecht maakt.

  • vochtigheidsgraad

    Vochtgehalte van de huid/haar of de lucht.

  • voorbehandelings-product

    Kappersproduct dat het haar in een betere conditie brengt, zodat de schadelijke werking van de haarcosmetische producten beperkt blijft.

  • voorbeitsen

    Gesloten haarschubben voorbehandelen om de haarschubben te openen.

W

  • waaierwikkeling

    Wikkelpatroon, waarbij de wikkels aan de zijkanten in een waaiervorm worden geplaatst.

  • warme gloed

    In een warme gloed overheersen de kleuren rood, oranje en geel.

  • wastechniek

    Combinatie van wassen met een massagetechniek.

  • watergolven

    Behandeling waarbij de haarvorm van stijl naar krullend haar tijdelijk wordt veranderd.

  • waterstof

    Element H.

  • waterstofperoxide

    Verbinding tussen de peptidespiralen in de vezellaag van het haar gebaseerd op een verbinding tussen H en O.

  • wax ester Onder andere een epidermale lipide.

  • weefsel

    Groepen van cellen met dezelfde vorm en functie.

  • weerborstels

    Medische term “vertex cranii”. Plaats waar het haar vanuit één punt in verschillende richtingen groeit (kruin).

  • werkstoffen

    Stoffen met een bepaalde werking op haar en/of (hoofd)huid.

  • wikkelpatroon

    Een richting waarop je de wikkels in het haar kunt draaien.

  • wikkeltechniek

    Manier waarop de wikkel in het haar wordt gedraaid.

  • 90 graden wikkel-techniek

    Wikkeltechniek, waarbij het haar loodrecht uit de huid op spanning om de wikkel wordt gedraaid.

  • wikkelvloeitje

    Papiertje dat gebruikt wordt bij het wikkelen om de haarpunten te beschermen en om de wikkels makkelijker op spanning in te draaien. Ook wel puntpapier genoernd.

  • wolhaar

    Lanugohaar. Lang, dun zijde-achtig haar zonder pigment, dat gewoonlijk in de baarmoeder wordt afgestoten, maar soms nog op de huid van de pasgeborene aanwezig is. Deze eerste haren van de mens ontstaan tijdens de derde maand. Ook wel wolhaar genoemd.

X

  • xerogels

    Gel met een hoge viscositeit bestaande uit een mengsel van een vaste stof en een gas.

Y

Geen begrippen gevonden.

Z

  • zenuwpapil

    Uiteinde van een zenuw.

  • zenuw (weefsel)

    Medische term: ‘nervus’. Weefsel dat er voor zorgt dat we kunnen ruiken, voelen, zien, horen en proeven.

  • zesvakkenwikkeling

    Wikkelpatroon, waarbij alleen de bovenpartij van de scalp wordt gewikkeld.

  • zuivere stof

    Een stof die niet meer te splitsen is in andere stoffen. De stof bestaat geheel bestaat uit een soort molecuul.

  • zure vloeistof

    Vloeistof met een pH-waarde (zuurgraad) variërend van 0 tot 7.

  • zuurgraad

    Mate waarin een vloeistof zuur of basisch/alkalisch is. Ook wel pH- waarde genoemd.

  • zuurmantel

    Beschermend, zuur laagje op de huid, bestaande uit zweet en talg.

  • zweet

    Medische term:’hidros’. Kleurloze vloeistof, bestaande uit water, met daarin opgeloste afbraakproducten van de stofwisseling van de huid.

  • zweetkliertjes

    Medische term: ‘glandulae sudoriferae’. Kliertjes in de lederhuid, die zweet produceren.

Blijf op de
hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en profiteer als eerste van de laatste acties!

Ik heb geen interesse